Nieuw licht op de menselijke aard
Geplaatst op: 11-01-2007
Wie zijn wij, als mens? De tegenstrijdige definities die de westerse religieuze en wetenschappelijke orthodoxie daarvan geven zijn pessimistisch: de zondige schepselen van een ondoorgrondelijke God, of volslagen materialistische dieren die zich hebben ontwikkeld door toevallige fysische processen. De moderne psychologie werd op deze grondslagen gevestigd en pas onlangs hebben enkele psychologen een vollediger en positiever beeld van de mens als een fysiek, psychisch en spiritueel wezen geaccepteerd. Tegelijkertijd begint de kunstmatige scheidslijn in het westen tussen wetenschap en religie, en tussen geest en stof te vervagen, naarmate wetenschappers steeds meer gebruik maken van de overleveringen van de wereld om inzicht te krijgen in de menselijke staat en onze plaats in het heelal.
Om aan godsdienstige vervolging en controle te ontkomen, hebben westerse geleerden het metafysische en niet–stoffeljke uit hun uitspraken over de materiële wereld weggelaten. De psychologie als wetenschappelijke discipline accepteerde in de eerste helft van de 20ste eeuw de materialistische 19de eeuwse theorieën als een axioma. Een voorbeeld van deze houding is het behaviourisme, dat zich geheel bezighoudt met neurologische reflexen en prikkels en reactiemechanismen om er achter te komen hoe gedrag kan worden voorspeld, beheerst en gemanipuleerd. De theorieën ervan zijn hoofdzakelijk gebaseerd op dierproeven en wijzen onderzoek van het innerlijk van de mens af als irrelevant.
De school van de psychologie met de grootste invloed op onze beschaving is de klassieke psychoanalyse, geïntroduceerd door Sigmund Freud. Hij vormde zijn ideeën op basis van materialistische fysische en medische wetenschappen en kwam met een deterministische, reductionistische, mechanistische kijk op de menselijke aard, die berustte op de theorie, dat aangeboren lagere instincten de basis vormen van de menselijke psyche. De sterkste van de driften was de sexualiteit, gevolgd door die van agressie en angst voor de dood. Freud concludeerde dat de menselijke psyche is samengesteld uit het individueel onbewuste en id (lagere instincten), waaruit het ego en de superego voortspruiten, alles gedomineerd door onderliggende instincten – een eventueel hoger menselijk gedrag werd of verworven of opgelegd, maar was niet natuurlijk.
Ofschoon veel van hun theorieën zijn aangepast, vervangen of verworpen, hebben behaviourisme en psychoanalyse nog veel invloed. Beide maken echter de fout om wat geldt voor de oppervlakkige gebieden van het menselijk bewustzijn, te generaliseren naar de aard van de totale mens. Abraham Maslow, die zulke denkwijzen verwierp, gaf in het begin van de jaren zestig de stoot tot de humanistische psychologie. Deze beweging wijst erop dat het een misvatting is om theorieën voornamelijk te baseren op de resultaten van studies met dieren of neurotische en psychotische patiënten, omdat die voorbijgaan aan onze unieke menselijke aspiraties en edele eigenschappen. In plaats daarvan richt Maslow zich op gezonde, aan zichzelf werkende mensen, en gelooft dat de mens een ingeboren hiërarchie bezit van hogere waarden en behoeften, alsmede de neiging om naar groei te streven. Hij zegt ook dat mystieke of ‘piek’ervaringen eerder bovennormaal zijn dan pathologisch en legt de nadruk op persoonlijke vrijheid, het vermogen van het individu om zijn eigen leven te bepalen en te beheersen, de eenheid van lichaam en geest, en de betekenis van onderlinge relaties.
In 1976 ging Maslow een stap verder en formuleerde de beginselen van de transpersoonlijke psychologie, .......
Lees verder op:
Bron: http://www.theosofie.net/sunrise/sunrise1994/septokt1994/nieuwlicht.html - Sarah Belle Dougherty

